Vlaanderen wordt een dorp, ook de steden treffen schuld

De meeste steden in Vlaanderen hebben de afgelopen twee decennia aan aantrekkingskracht gewonnen. Hun gestegen populariteit hebben ze aan een reeks factoren te danken. De diensteneconomie heeft zich in de binnensteden gevestigd, dichtbij klanten en werknemers, het openbaar vervoer in en tussen steden is uitgebreid, buurten zijn opgewaardeerd, de centra zijn verkeersluw geworden en de criminaliteitscijfers zijn gedaald, om er enkele te noemen.

Het is een goede zaak voor mens en milieu dat meer mensen in de stad willen wonen. Dit betekent namelijk dat er minder open ruimte (natuur of landbouw) verdwijnt, dat er minder wagens op de weg zijn, en dat nieuwe publieke en private investeringen een hoger rendement kunnen halen door de hogere bevolkingsdichtheid. Bovendien kunnen ook de belastingen dalen als meer mensen voor de stad kiezen. Leo Van Broeck, de Vlaamse Bouwmeester, stelt dat een huis in landelijk gebied de belastingbetaler gemiddeld 2000 euro per jaar meer kost dan een huis in de stad, voornamelijk door de veel lagere efficiëntie van nutsvoorzieningen en andere publieke goederen in landelijke regio’s.

Het is dan ook onbegrijpelijk hoe Vlaanderen erin geslaagd is de verdere verkaveling van het platteland een halt toe te roepen. Ondanks het devies van verdichting en –meer recent- van inbreiding, moeten we vaststellen dat sinds 2000 de nieuwe woningen in Vlaanderen gemiddeld nog meer open ruimte hebben ingenomen dan de bestaande woningen ervoor al innamen. Maar 16 gemeenten hebben sinds 2000 hun dichtheid (aantal personen per oppervlakte woongebied) verhoogd.

Lees verder Vlaanderen wordt een dorp, ook de steden treffen schuld

Vluchtige definities

Wat misschien nog het meest opvalt aan de vluchtelingendiscussie, is dat het niet duidelijk is wat een vluchteling precies is. Dit bleek bijvoorbeeld ook uit de nieuwsberichten over de ‘jungle van Calais’, het ‘vluchtelingenkamp’ dat in oktober 2016 werd ontruimd. Er bestaat veel verwarring in die term, ‘vluchtelingenkamp’. De uit Calais verbannen mensen zijn in beleidstermen namelijk geen vluchtelingen: ze hebben immers (nog) geen asiel verleend gekregen. Zij zouden daarom eerder als ‘illegalen’ of ‘asielzoekers’ gedefinieerd worden. De notie van wat een vluchteling is, is onvoldoende duidelijk in de discussie. In deze bijdrage wordt verder ingegaan op de implicaties daarvan.

Verschillende omschrijvingen

In woordenboeken als Van Dale, Larousse en Oxford Dictionary wordt een vluchteling steevast gedefinieerd als iemand die zijn thuis heeft moeten verlaten. De vlucht vindt plaats om uiteenlopende redenen, variërend van politieke, religieuze en raciale argumenten tot economische en ecologische oorzaken. Deze opvatting over de vluchteling als iemand die gevlucht is, vind je ook vaak terug in de publieke opinie. In de kranten wordt gesproken over de vluchtelingenstroom uit Syrië, evenals de vluchtelingen die verdrinken in de Middellandse Zee. Maar in de politiek, en vooral in het beleid, wordt er een andere invulling aan het begrip gegeven. Een vluchteling is niet simpelweg iemand die gevlucht is, maar iemand die voldoet aan de criteria om ná die vlucht de vluchtelingenstatus te ontvangen in een ander land. Je bent dus pas een vluchteling als je door een overheid erkend bent als zodanig, oftewel als je asiel verleend hebt gekregen. Zo bestaat er een verschil tussen de vluchteling in spraakgebruik en in beleidstermen.

Een vluchtelingenstatus in beleidstermen omhelst enkele rechten, waaronder een tijdelijke verblijfsvergunning en enige overheidshulp om een leven op te bouwen gedurende dit verblijf (onderwijs, werkgelegenheid, huisvesting). De redenen om asiel te verlenen staan vastgelegd in de conventie van Genève van 1951, later aangevuld met de subsidiaire beschermingsstatus. Ze relateren vooral tot het gevaar dat deze mensen lopen in het thuisland omwille van politieke, religieuze en raciale redenen. De consequenties van deze nauwere definitie (een vluchteling is iemand die voldoet aan de criteria voor het verlenen van asiel) is dat zowel de mensen die op de vlucht zijn als de mensen die in het proces van een asielaanvraag zijn, evenals degenen die ongedocumenteerd en degenen die zonder verblijfsvergunning (‘illegaal’) verblijven, door de overheid niet als vluchteling worden gezien. Dit zijn, volgens de overheid, vreemdelingen.

Dit verschil in definities heeft verregaande consequenties. Het betekent bijvoorbeeld dat het recente initiatief van de ‘gastvrije gemeente’ zich alleen op mensen met een asielaanvraag of vluchtelingenstatus richt, aangezien Vluchtelingenwerk de nauwere (door de overheid gesteunde) definitie aanhoudt. Het betekent ook dat de discussie over het niet langer toelaten van ‘economische vluchtelingen’ vanuit ongeldige standpunten vertrekt. Hierin wordt onderscheid gemaakt tussen ‘economische vluchtelingen’ die naar Europa zijn getrokken om te ‘profiteren’ van de welvaartsstaat, in tegenstelling tot de ‘echte vluchtelingen’ die wél bescherming zouden verdienen. Er bestaat echter niet zoiets als een asielstatus verkregen op economische gronden.

Moraliteit

De onduidelijkheid in definities roept allerlei vragen op over moraliteit. Nu kunnen mensen die wél aan de criteria voor asielaanvraag voldoen, die status pas ontvangen na een succesvolle aanvraag. Tijdens de niet-ongevaarlijke vlucht naar Europa genieten zij dus niet van de bescherming van de vluchtelingenstatus.

Het daadwerkelijke humanitaire probleem in Europa ligt dan ook niet zozeer bij de vluchtelingen. De mensen met een vluchtelingenstatus krijgen immers enige vorm van hulp met taalles, onderwijs, werkgelegenheid en huisvesting. De crisis is het grootst ten aanzien van de mensen die deze status niet hebben. Dat zijn de mensen die de grenzen over gesmokkeld worden, of verstopt in een vrachtwagen de Kanaaltunnel proberen over te steken naar Engeland; degenen die geen identiteitsdocumenten hebben en degenen wier verzoek tot verblijfsvergunning is afgewezen (‘illegalen’). Hun mensenrechten worden niet beschermd. Er is geen overheid die voor hen opkomt. Alleen de mensen die er in geslaagd zijn een asielverzoek in te dienen, genieten van enige rechten en privileges gedurende het aanvraagproces. Voor de andere ‘niet-vluchtelingen’ is er nauwelijks tot geen overheidsbescherming. Vanwege de nauwere overheidsdefinitie is er bovendien weinig subsidie beschikbaar voor ngo’s die zich tot deze ‘(nog) niet-vluchtelingen’ richten, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de overheidsbudgetten voor minderhedenbeleid, integratie- en inburgeringsbeleid en vluchtelingenwerk.

De definitiecrisis in het verleden

De paradox in definities en moraliteit kunnen we ook historiseren. Een opvallend voorbeeld is de kwestie van de uit Duitsland gevluchte joden in de jaren ’30 van de vorige eeuw. In onder andere België werden de joodse politieke dissidenten, die vluchtten voor Hitlers regime, wel als vluchteling ontvangen; maar ‘gewone joden’ (oftewel, joden die niet politiek actief waren) werd aanvankelijk geen asiel verleend. Men meende dat zij niet voldoende gevaar liepen om bescherming in een ander land te verdienen (zie bijvoorbeeld Caestecker 2004, p. 99-101). In de vroegmoderne tijd zie je dan weer dat de Nederlandse Republiek aanvankelijk graag de Franse Hugenoten – protestantse Fransen gevlucht voor de vervolging van het Franse katholieke regime – opving omdat zij dezelfde religieuze achtergrond hadden en bovendien veelal tot de gegoede burgerij behoorden, wat economische voordelen met zich meebracht (Cruson 1987; Noordijk 2015). Een vergelijkbaar proces zien we bij de Antwerpse koopmannen die naar Amsterdam vluchtten na de val van Antwerpen in 1585 (Kuijpers 2005, p. 21 & 329). Zij brachten handelsnetwerken met zich mee die in handelsstad Amsterdam enthousiast werden ontvangen. De vluchtelingenstatus is natuurlijk een moderne uitvinding, maar het moge duidelijk zijn dat ook in het verleden de keuze wie wél en wie niét bescherming in de vorm van asiel te verlenen volgens steeds veranderende criteria plaatsvond. De term ‘vluchteling’ is aan interpretatie en verandering onderhevig.

Impliciete ideologie

De geschiedenis leert ons dat er steeds andere invullingen aan het begrip vluchteling worden gegeven en dat de opvattingen over moraliteit doorheen tijd en ruimte verschillen. Per samenleving bepalen andere actoren en factoren wie geacht wordt bescherming in de vorm van verblijf op het grondgebied te verdienen. Dat kan zijn op basis van het economisch nut dat deze mensen meebrengen, een gedeelde vijand, een gedeelde religie; of bijvoorbeeld een verantwoordelijkheidsgevoel omwille de rampen waar de vluchtelingen voor gevlucht zijn, een argument dat we tegenwoordig veel vanuit postkoloniale hoek horen. De gebruikte definitie is dan ook een impliciete uiting van ideologie. Dat maakt dat bewustwording van de verschillende uitleggen van het begrip vluchteling noodzakelijk is voor het voeren van een goed debat. We moeten wel weten waar we over spreken voordat we ergens beslissingen over kunnen nemen.

Tijdskrediet als motor van deeltijdwerk in België

De berichtgeving rond de opmars van ‘vier vijfde werken als nieuwe voltijds’ bracht de voorbije weken gemengde reacties teweeg. Moeten we blij zijn dat arbeid gedeeld wordt over meer mensen en dat nu ook mannen vaker deeltijds werken? Of, is de evolutie problematisch omdat deeltijdwerk een second best optie vormt bij gebrek aan voltijdse banen? Deze vragen leggen het debat rond een meer flexibele arbeidsmarkt bloot dat nooit tot het bot werd gevoerd in België. Meestal blijft het beperkt, zeker in het publieke debat, tot ballonnetjes oplaten of wat modder gooien. Met het ‘succes’ van de flexijobs en de nieuwe voorstellen van Minister van Werk Kris Peeters rond verdere flexibilisering van de arbeidstijd zien we wel langzaam een kentering. Om het debat effectief te kunnen voeren, moeten we echter eerst begrijpen waarom deeltijdwerk sluimerend is toegenomen in België, bij wie, en waarom.

Enkele cijfers

In de voorbije decennia kende België, net zoals andere West-Europese landen, een algemene stijging van het aandeel deeltijdwerkenden. Een uitsplitsing van de evolutie naar leeftijd geeft echter een eerste indicatie van de specifieke samenstelling van de deeltijdwerkende populatie in België (figuur 1 en figuur 2). Terwijl België een opvallende stijging van deeltijdwerk bij vijftigplussers kende, nam in andere Europese landen deeltijdwerk voornamelijk toe bij jongeren.

Evolutie aandeel deeltijdwerk (% van 15-64 jarigen) naar leeftijd, België, 1995-2013.

Evolutie aandeel deeltijdwerk (% van 15-64 jarigen) naar leeftijd, EU-15, 1995-2013.

Een tweede vaststelling is dat in vergelijking met andere Europese landen België een relatief korte werkweek kent voor voltijds werkenden en een relatief lange werkweek voor deeltijdwerkenden (figuur 3). In het Verenigd Koninkrijk, Ierland, Spanje, Denemarken, Duitsland en Portugal betekent ‘deeltijd’ effectief minder dan de helft van een voltijdse baan, terwijl in België een deeltijdse baan gemiddeld 62 procent bedraagt van een voltijdse baan.

Gemiddeld normaal aantal uren per week in deeltijds en voltijdse baan, 2014

Een derde opvallend kenmerk van deeltijdwerk in België is dat onvrijwillig deeltijdswerk in dalende lijn gaat, terwijl het net toenam in de meeste Europese landen (figuur 4). In 2014 deed ‘slechts’ één op tien Belgische deeltijdswerkenden dit bij gebrek aan voltijdswerk. In Europa is dit gemiddeld bij 1 op 3.

Evolutie onvrijwillig deeltijdwerk (% van deeltijdwerk) BE en EU-15, 1983-2013

 

Wat verklaart deze cijfers?

Het unieke systeem van tijdskrediet (en loopbaanonderbreking) verheldert de unieke kenmerken van deeltijdwerk in België. De sterke toename in – vrijwillig – deeltijdwerk hangt namelijk sterk samen met het toename van het gebruik van tijdskrediet (zie figuur 5). Ook het feit dat deeltijdse banen in België gemiddeld een relatief substantieel aantal uren omvat is te kaderen binnen het systeem van tijdskrediet. Meestal verminderen personen hun arbeidsprestatie slechts met 1/5e, zoals het jaarverslag van de RVA aangeeft.

Aantal werkenden die met steun van RVA hun arbeidstijd aanpassen, 2000-2013, jaargemiddelden

Ook de unieke oververtegenwoordiging van oudere werknemers bij deeltijders in België hangt samen met het systeem van tijdskrediet (zie tabel 1). Het financieel aantrekkelijke stelsel van tijdskrediet voor oudere werknemers (de ‘landingsbanen’), vormen in de realiteit een nieuwe vorm van halftijds brugpensioen. Met andere woorden, om te kunnen oordelen of meer deeltijds werk een ‘goede’ evolutie is, moeten we het kaderen binnen het debat rond tijdskrediet.

kenmerken van personen die loopbaanonderbreking of tijdskrediet opnemen

 

De zin en onzin van het tijdskrediet debat

In het maatschappelijke debat wordt tijdskrediet vaak geframed als iets dat mensen doen om op wereldreis te gaan, zie bijvoorbeeld de berichtgeving op het nieuws, door politici, of recent nog door het NSZ. Betaald tijdskrediet om een wereldreis te maken vindt ieder weldenkend mens waarschijnlijk wel van het goede teveel. Met meer dan 95% van alle tijdskrediet op deeltijdse basis blijft het voornamelijk een emotioneel argument. Of het moest gaan om een wereldreis van enkele uren per week, natuurlijk.

Tijdskrediet (of loopbaanonderbreking) is ooit mee ontstaan met goedkeuring van zowel werknemers- als werkgeversorganisaties. Zoals brugpensioen, dat ander instrument waar sommigen achteraf veel spijt van hadden, kan tijdskrediet een middel zijn om werkloosheid te bestrijden en dus het economisch draagvlak in de samenleving versterken. De kern van het argument pro tijdskrediet is dat het zou leiden tot een meer ontspannen loopbaan opdat mensen langer kunnen werken én door tijdelijke onderbrekingen krijgen ook anderen de kans om te werken. Een ander argument pro tijdskrediet is dat van een kwaliteitsvol leven. Arbeid is slechts één van de belangrijke levensdomeinen, naast het gezinsleven, studie of vrije tijd. Tijdskrediet geeft mensen een (beperkte) ruimte om zelf te beslissen wat belangrijk is in het leven. Let op, er zijn ook een aantal sterke argumenten contra tijdskrediet. Het is niet makkelijk voor werkgevers om voor een korte periode mensen te vinden, op te leiden en productief in te schakelen. Zeker in kleinere KMO’s is dit vaak een lastig probleem. Er zijn ook vraagtekens te plaatsen bij de maatschappelijke ongelijkheid die gecreëerd wordt als de ene groep rechten kan opbouwen om tijdskrediet te nemen, terwijl degenen die hen vervangen moeilijker rechten kunnen opbouwen wanneer ze vast zitten in een opeenvolging van tijdelijke deeltijdse banen. Dit zijn de basisoverwegingen die moeten worden meegenomen in het debat.

Nu maken in het bijzonder vijftigplussers gebruik van tijdskrediet en daarom is het misschien niet slecht om inderdaad het systeem grondig te herdenken. Tijdskrediet zou voor iedereen effectief een aantrekkelijke optie moeten zijn. Niet in het bijzonder voor degenen met een goedbetaalde vaste betrekking op het einde van hun loopbaan. Dat sommige vormen van tijdskrediet niet noodzakelijk financieel moeten worden ondersteund, kan legitiem zijn. Maar, waarom wil men zo graag bepalen waarom iemand wel of niet met tijdkrediet mag, zoals de huidige regering besliste?

Is tijdskrediet enkel te rechtvaardigen voor de opvoeding van een kind onder de 8 jaar, het verlenen van palliatieve zorgen, het verzorgen van een zwaar ziek familielid of een gehandicapt kind of het volgen van een erkende opleiding. Laten we voor het gemak veronderstellen dat twintigers, dertigers en veertigers tijdskrediet niet opnemen omdat ze lui zijn, maar wel om een opleiding te volgen, voor kinderen te zorgen, bij te klussen in het eigen huis, een hobby te doen of nieuwe (zelfstandige) activiteiten op te starten, of, god verhoedde, een wereldreis te maken. Enkele maanden de wereld zien leert mensen vermoedelijk zelfs meer een zoveelste erkende opleiding te volgen. En, misschien helpt het ook wel om een burn-out te voorkomen?

Over elk motief valt in essentie te redetwisten. Dat je kinderen hebt is toch ook je eigen keuze? De kern van de zaak is echter dat we een meer flexibele arbeidsmarkt nodig hebben door toegenomen internationale competitie en minder uniforme levenslopen van tweeverdieners. De risico’s die gepaard gaan met deze flexibiliteit blijven het onderwerp van sociale strijd. De levensloop van mensen is minder stabieler en meer diverse dan vroeger. De afstemming tussen de arbeidsmarkt en andere levensdomeinen vraagt om een flexibele en vaak zeer persoonlijke invulling. Mijns inziens is het beperken van tijdskrediet tot een beperkt aantal vooraf vastgelegde motieven dan ook geen goede uitgangsbasis. Een beter uitgangspunt zou zijn om flexibele loopbanen mogelijk te maken zonder motief opdat het voor iedereen toegankelijk en bruikbaar is. Belangrijk hierbij is dat de potentiële ongelijkheid wordt vermeden tussen degenen die in een stabiele voltijdse baan rechten kunnen opbouwen om het rustiger aan te doen en zij die hen vervangen, maar daardoor moeilijker dezelfde rechten kunnen opbouwen.

Kortom, in het algemeen mogen we niet klagen over de toename van deeltijdwerk in de Belgische context. We mogen best trots zijn op ons uniek systeem van tijdskrediet dat deeltijdwerk tot volwaardig werk maakt. Anderzijds moeten we begripvol blijven voor de organisatorische moeilijkheden bij KMO’s en zorgen dat niemand uit de boot valt. In plaats van tijdskrediet te zien als iets voor profiterende wereldreizigers, zou het gezien moeten worden als een productieve factor die flexibiliteit in onze arbeidsmarkt stimuleert.

Alsof de Panama-route wel eenvoudig is

Het ontluikende Panama-schandaal roept de vraag op wat precies de dieperliggende oorzaken zijn van de belastingontduiking en -ontwijking. Hoogleraar fiscaal recht Michel Maus wijst met een beschuldigende vinger naar de ‘fenomenale’ belastingdruk in België. Lode Vereeck (Open VLD) zegt dat de onthullingen de nood aan ‘transparantere, eenvoudigere, rechtvaardige en lagere belastingen’ aantonen.

Dat ons systeem beter kan scoren op ieder van die punten betwist ik niet. Sterker, de eerste die openlijk stelling inneemt tegen meer transparantie, eenvoud en rechtvaardigheid van belastingen moet nog geboren worden.

Ook de discussie over de hoogte van belastingen en dus de grootte van de overheid is legitiem. Maar dat het Belgische belastingsysteem zelf de hoofdschuldige zou zijn voor de beslissing van individuen om al dan niet illegale structuren op te stellen om zo belastingen te ontduiken en/of te ontwijken, is een bizarre bewering.

Lees verder Alsof de Panama-route wel eenvoudig is

De verdeling van de inkomens tijdens de crisisjaren in België

België is de financiële en daaropvolgende economische crisis goed doorgekomen. Onze val in BBP groei was beperkt, de welvaartsstaat trad op als buffer (onder meer via het stelsel van de tijdelijke werkloosheid) en de middenklasse bleef goed beschermd. In De Morgen besloot Ive Marx dan ook terecht dat de sociale impact van de crisis in ons land mild is gebleven.

Een dimensie die in de berichtgeving over de stabiele situatie van de middenklasse wat buiten beeld blijft is wat er is gebeurd aan de onder- en bovenkant van de inkomensverdeling: is de welvaartsstaat voor iederéén een buffer geweest, of zijn de hoge of lage inkomens als verliezers of winnaars uit de bus van de voorbije crisisperiode gekomen?

Lees verder De verdeling van de inkomens tijdens de crisisjaren in België

De fiscus deelt uit

Op vrijdag 19/09/2015 sprak minister Vanovertveldt zich in het programma de Vrije Markt uit tegen belastingkredieten voor asielzoekers: “Met andere woorden: de fiscus gaat hen bepaalde sommen uitbetalen in het kader van hun aangifte, meestal zonder dat daar inkomsten bijhoren. Dat lijkt me zeer onlogisch.” Vanovertveldt is niet de eerste politicus om die logica niet te vatten. Toenmalig Kamerlid Rob Vandevelde (LDD) stelde zich in 2009 al vragen bij het instrument, en in 2013 roerden ook collega’s Luk Van Biesen (Open Vld) & Carl Devlies (CD&V) zich in het debat. Bij de vier heren klinkt hetzelfde argument: deze mensen betalen geen belastingen, en zouden dan ook geen recht mogen hebben op een uitbetaling van de fiscus.

Ironisch dat de maatregel in 2000 in het leven geroepen werd om precies die reden: de Paars-Groene regering vond toen dat ouders met een laag inkomen hetzelfde recht op een fiscale tegemoetkoming voor het onderhoud van hun kinderen hebben, als gezinnen met een hoger inkomen. Ik leg eerst kort uit hoe het belastingkrediet werkt. Als ouders een voldoende hoog inkomen hebben, kan een van de ouders beroep doen op de belastingvermindering voor kinderen, per kind ten laste wordt de belastingvrije som verhoogd. Voor een alleenstaande ouder met één kind komt dit neer op een verhoging van het jaarlijks netto-inkomen van 448 euro, voor een ouder met 4 kinderen is dat 5343 euro (1336 euro per kind). Het veel hogere voordeel voor grote gezinnen is te danken aan de grensbedragen die stijgen in de rang, en aan de oplopende tariefstructuur van de personenbelasting.

2015-09-24 10_09_53-Fiscale uitgaven.docx - Word Lees verder De fiscus deelt uit

Heeft de modale Vlaming twee (of meer) huizen?

In het kader van de veelbesproken tax shift ontspon zich onlangs een politieke discussie waarin de modale Vlaming centraal stond. Kris Peeters (CD&V) bond de kat de bel aan met het voorstel om de onroerende voorheffing te verhogen voor alle huizen die niet als gezinswoning dienen. Open-VLD en N-VA reageerden als door een wesp gestoken. “Je kunt wel mikken op dat ene procent van echte rijken, maar voor je het weet belast je weer de modale Vlaming”, wist Matthias Diependaele van N-VA. “Wie heeft zo’n tweede woning? Vaak gaat het om gepensioneerden die een huis of een appartement verhuren om hun eigen bescheiden pensioentje aan te vullen. Als je die mensen extra belast, tref je de verkeerde groep”, klonk het bij Bart Somers van Open VLD. Vreemd genoeg nam ook Peeters’ partijgenoot Koen Vandenheuvel min of meer afstand van het oorspronkelijke voorstel: “Veel Vlamingen bezitten een tweede woning, weinigen een derde, laat staan een veelvoud daarvan.”

Of een verschuiving van de belastingdruk naar onroerend goed wenselijk is, is in de eerste plaats een politieke en normatieve vraag. Of veel Vlamingen een tweede woning bezitten en dat een verhoging van de onroerende voorheffing voornamelijk de middenklasse zou treffen is echter een empirische vraag. Hoog tijd dus om de retoriek aan de werkelijkheid te toetsen.

Lees verder Heeft de modale Vlaming twee (of meer) huizen?

Kiezen tussen de pest en de cholera: over corruptie, Griekenland, en de FIFA

Cliëntelisme, patronage, corruptie: vanuit heel Europa weerklinkt het verwijt aan het adres van het Griekse politieke bestel klaar en duidelijk. Enkele weken geleden viel die twijfelachtige eer ook Sepp Blatter en zijn FIFA te beurt. De verontwaardiging is duidelijk, maar nauwelijks wordt bij het gebruik van die begrippen stil gestaan. Meer nog ontbreekt reflectie over de mogelijke oplossingen. Het is maar de vraag of de alternatieven die door de FIFA- en Griekenland-critici naar voren geschoven worden uiteindelijk te verkiezen vallen.

Voor alle duidelijkheid: dat Sepp Blatter door en door corrupt is, daar twijfelt geen weldenkend mens aan. Al van bij zijn allereerste verkiezing tot FIFA-voorzitter in 1998 zijn er talloze aanwijzingen voor omkoping, vriendjespolitiek, en het systematisch begunstigen van vertrouwelingen in ruil voor politieke steun. Zo verkocht hij de televisierechten voor het uitzenden van het WK van 2002 in de Carraïben aan een politiek bondgenoot voor de som van 1 dollar, en aan heel wat Afrikaanse en Aziatische bonden die financiële grote steun kregen werden opvallend weinig vragen gesteld over de besteding daarvan. Daarmee trad Blatter in de voetsporen van zijn voorganger, de Braziliaan João Havelange, die zich zowel bij de FIFA als bij het Internationaal Olympisch Comité met gunsten en geschenken van steun voorzag. Omgekeerd was hij zelf niet minder gesteld op het aanvaarden van geschenken in ruil voor mogelijke steun. Daarbij liet hij aan de Amsterdamse delegatie voor de toewijzing van de Olympische Spelen van 1992 bijvoorbeeld zijn voorkeur blijken voor allerhande kunstboeken, schilderijen en Delfts blauw, maar ook voor fietsen en andere sportartikelen, naast de ‘gewone’ diamanten.

Lees verder Kiezen tussen de pest en de cholera: over corruptie, Griekenland, en de FIFA

Putting the sharing economy in dialogue with the welfare state: a response to Juliet Schor

Sharing has attracted a lot of attention as an alternative principle to organize economic transactions. Proponents of the sharing economy claim it is more ecologically sustainable than capitalist market economies because it promotes multiple and more intensive use of the same resources and more social because it stimulates the development of social relations between people that share resources. The rise of a number of large-scale for-profit sharing initiatives such as AirBnB and Uber has cast doubts on these claims. Juliet Schor, who is a professor of sociology at Boston College, is one of the leading voices in debates on sustainable lifestyles and the sharing economy. On Friday 5th of June, she addressed the question whether the sharing economy is a sustainable alternative or hypercapitalism during a lecture organized jointly by think tank Oikos and the Faculty of Social Sciences of the University of Antwerp (see http://www.greattransition.org/publication/debating-the-sharing-economy for the content of Schor’s lecture). This article are the typed up notes of the comments I made as a discussant in response to her lecture.

Lees verder Putting the sharing economy in dialogue with the welfare state: a response to Juliet Schor

Complexloze fiscaliteit (reactie op Van Quickenborne in DM 09/04/2015)

Ieder jaar wordt de bepaling van netto-inkomens voor personen en bedrijven ingewikkelder. Complexe belastingsystemen brengen hoge kosten met zich mee, fiscalisten doen gouden zaken, en minder geïnformeerde burgers en bedrijven lopen middelen mis of maken slechte economische beslissingen. Een goede zaak dus dat Van Quickenborne dit probleem aankaart in DM van 9 april.

Hij doet daarnaast ook interessante voorstellen om het burgerschap te verhogen. De overheid kan nog veel leren van andere landen (en steden) hoe meer directe participatie in het beleidsproces te introduceren en hoe transparant te communiceren over hoe ze haar middelen verkrijgt en weer uitgeeft. The International Budget Partnership (mijn vorige werkgever) strijdt wereldwijd al meer dan 15 jaar voor meer transparantie en inspraak in het begrotingsproces, ik ben zeker dat de organisatie Van Quickenborne nog meer kan inspireren in zijn inspanningen hieromtrent. Ook dichter bij huis pleit o.a. Maarten Lambrechts, datajournalist bij De Tijd, er al langer voor om de data uit de belastingaangifte en andere fiscale formulieren te ondersteunen op een grafische manier. Allemaal initiatieven die ik een warm hart toedraag.

Het is met Van Quickenborne’s oplossingen voor het complexiteitsvraagstuk dat ik meer moeite heb. Hij vertrouwt erop dat als we de belastingen zouden verlagen, een proces in gang gezet wordt dat leidt tot fiscale vereenvoudiging, tot meer rechtvaardigheid, én meer inkomsten. De verlaagde complexiteit zou automatisch volgen omdat er bij lagere lasten minder redenen zijn om te corrigeren via uitzonderingen en specifieke fiscale instrumenten. Ik deel die overtuiging niet. Omdat ik niet weet welk ethisch kader Van Quickenborne en andere OpenVld kopstukken hanteren om lagere belastingen te linken aan meer rechtvaardigheid, doe ik hierover (nu) geen uitspraken.

Lees verder Complexloze fiscaliteit (reactie op Van Quickenborne in DM 09/04/2015)